Een boek als dit verschijnt maar zelden. Toen ik het gelezen had besefte ik dat ik het nog eens zou moeten lezen en nog eens. En tegelijk verzet alles in me daartegen...
Wat ik van dit boek vond, laat zich moeilijk beschrijven in een review. Het is eigenlijk ook helemaal geen verhaal waar je je als lezer een mening over vormt, wat je op een afstandje beschouwend tot je neemt. Nee, je kunt dit niet lezen in een luie stoel, benen op tafel, kop thee erbij.
Als je aan dit boek begint, neemt het de regie van je over, pakt het je op, sleept je mee, schudt het je stevig door elkaar, blijft het je tot het laatste deel zo woest centrifugeren om je daarna met een grote schop weer terug in je luie stoel te trappen. Weg zelfvoldaan geloof, weg comfortabel evangelie...
Maar als je dan daar in je stoel onthutst en verdwaasd zit bij te komen, dan ineens voel je daar de kracht, de troost, de bemoediging die er eigenlijk gedurende het lezen steeds al was. Dan voegt zich daar bewondering bij: wat een puurheid, wat een schoonheid! En dan is daar ook opluchting, en herkenning, en rust. Andere context, andere omstandigheden, maar dezelfde vragen, dezelfde worsteling, dezelfde paradoxale ervaring: God die zo afwezig en tegelijk zo nabij is. Ach... wie niet?
Magnis gebruikt ergens de woordcombinatie 'zo ruig en zo teer'. David de Jong sprak in het ND (11 maart 2016) over 'dit ontstellend bemoedigend en bemoedigend ontstellende boek'. En dat allemaal is exact hoe ik het lezen van dit boek heb ervaren: ruig en ontstellend, maar ook o zo teer en bemoedigend...