Het is misschien raar, maar ik moet altijd een drempel over om een boek van dr. Willem J. Ouweneel te lezen. Deze man produceert zo veel boeken dat je je onwillekeurig gaat afvragen of zij nog wel iets te melden hebben. Kan wat zo'n veelschrijver aan het papier toevertrouwt nog wel doordacht en doorleefd zijn, ook al is hij een hoogbegaafde prof.dr.dr.dr.? Er is maar één manier om daarachter te komen…
Het 671 pagina's tellende boek De toekomst van God heeft mij beslist niet teleurgesteld. Dit boek is het tiende deel van de evangelische dogmatiek van Ouweneel en behandelt de eschatologie, de leer van de laatste dingen. Ik was reuze benieuwd of de auteur ten aanzien van dit onderwerp een verschuiving zou laten zien, zoals bij andere onderwerpen is gebeurd (schepping en evolutie, geestesgaven en genezing), maar er zijn mij geen schokkende dingen opgevallen. Ouweneel profileert zichzelf als een gematigd dispensationalist die gelooft in een hiernamaals, twee wederkomsten, een toekomstig Duizendjarig Rijk en een eeuwige bestemming voor de mens, al dan niet voor Gods aangezicht.
Ik vond het een spannend boek om te lezen en voor een dogmatiek mag dit zeker als een compliment worden opgevat. De schrijver probeert het toekomstplaatje met behulp van de profetische Bijbelteksten kloppend te maken en ik was reuze benieuwd of hij hierin zou slagen. De vele tientallen exegeses geven een goed inzicht in de manier waarop dit gebeurt, maar door de breedsprakigheid en gedetailleerdheid is het af en toe wel heel erg lastig om overzicht te houden. Wat zou het fijn geweest zijn als het tempo van publiceren wat was teruggebracht om een (ander) paar ogen (die er gezien het Voorwoord echt wel zijn geweest) naar de hoofdlijnen, de structuur en de vormgeving van dit omvangrijke boekwerk te laten kijken.
Ondanks de hoge mate van detail, zijn nog niet al mijn vragen beantwoord en ben ik er ook niet van overtuigd dat alles 'klopt'. Ouweneel houdt zich verre van een dichotomisch mensbeeld en gebruikt de aanduiding 'Grieks' in dit verband bijna als scheldwoord, maar hoe kan de gehele mens sterven en tegelijkertijd in de tussentoestand overleven (met een functiemantel nog wel)? Ik krijg dit in mijn hoofd niet 'kloppend'. En hoe kan het zijn dat de levende gemeente en de gestorven gelovigen worden opgenomen om met hun opstandingslichaam in het hemelse Vaderhuis te worden ondergebracht en daar gedurende het Duizendjarig Rijk te verblijven, terwijl zij ook met de Here Jezus zichtbaar naar de aarde terugkeren en daar zullen regeren? Hebben zij een opstandingslichaam ontvangen om zich moeiteloos tussen deze twee locaties te kunnen verplaatsen? Ik krijg dit niet 'scherp'. En hoe moeten we tegen het scenario als geheel aankijken: is dit van hetzelfde deterministisch gehalte als de schaakpuzzel 'Mat in vijf zetten'? Hoe verhoudt dit zich tot de vrijheid die Israël had om zijn Messias af te wijzen, waarna de gemeente als plan-B ten tonele verscheen?
Waar Ouweneel bewust enige vaagheid in stand houdt, is als hij over de hel komt te spreken. Enerzijds houdt hij alles wat hierover wordt gezegd, overeind. Anderzijds honoreert hij ruimschoots dat hierover in metaforen wordt gesproken. Uiteindelijk komt hij tot de slotsom dat “de goddelozen voor eeuwig ten onder gaan, maar wat dat precies inhoudt zal de eeuwigheid aan het licht moeten brengen” (p. 588).